0  1  2  3 

De ontsporing van de overheidsbureaucratie

 

5
+
Door Skuddo om 12:00 op 06-02-2010 in Politiek
(5x gereageerd, 412x bekeken)


Wij moeten beambten en bestuurders die zich schuldig maken aan onwettig handelen of immoreel gedrag opsporen en persoonlijk aansprakelijk stellen, zodat hun handelen weer binnen de normale menselijke sociale controle komt te vallen.

Amsterdam stuurde Marokkaanse ouderen naar Auschwitz om ze te laten zien waar de onverdraagzaamheid van hun kinderen jegens joden toe kan leiden. Volgens de socioloog Zygmunt Bauman in De Moderne tijd en de holocaust (1989) had de holocaust echter nauwelijks te maken met onverdraagzaamheid en antisemitisme. De holocaust was ook niet het werk van ontketende volkswoede. Bauman ziet als hoofdoorzaak de ontsporing van de moderne overheidsbureaucratie. Men vindt het vaak vergezocht en ongepast om naar de holocaust te verwijzen in relatie tot maatschappelijke problemen waar we nu mee te maken hebben. Als dat echter wél gedaan wordt in relatie tot het gedrag van lastige Marokkaanse jongeren, waarom zou het dan ongepast zijn als het gedaan wordt in relatie tot het gedrag van de overheidsbureaucratie? De neiging om de holocaust toe te schrijven aan het tuig van de straat of aan een handvol gekken die zich van de macht hebben verzekerd, maakt ons blind voor het werkelijke gevaar. En dat is volgens auteurs als Zygmunt Bauman, Raul Hilberg, Hannah Arendt en Christopher Browning de overheidsbureaucratie in de moderne staat.

Deze historici, behorend tot de ‘functionalistische school’, nemen afstand van de aanhangers van de ‘intentionalistische’ interpretatie, die de holocaust voornamelijk toeschrijven aan Hitler en zijn ideologie. Functionalisten focussen op de structuur en de instituties van het Derde Rijk en verklaren de holocaust uit de ongeplande ‘cumulative radicalisation’ van met elkaar wedijverende bureaucratieën in de staat (C. Browning, The Path to Genocide: Essays on Launching the Final Solution, Cambridge & New York, 1992, p.86).

Ondanks de enorme propaganda, zo schrijft Bauman, lukte het de bureaucratie niet om onder de bevolking brede steun te krijgen voor de vervolging, laat staan de vernietiging, van de joden. Het antisemitisme was in Duitsland ook beslist niet sterker dan in andere Europese landen. Maar Duitsland had al wel een sterk ontwikkelde overheidsbureaucratie. Een sterke staat met een hoog ontwikkelde overheidsbureaucratie heeft geen draagvlak onder de bevolking meer nodig. “Kortom, de vernietiging van de Joden was het werk van een wijdvertakt bestuursapparaat dat stap voor stap te werk ging. De besluiten werden grotendeels door dit apparaat ingegeven én uitgevoerd,” aldus ook Raul Hilberg in De vernietiging van de Europese Joden, het standaardwerk over de holocaust.

Bauman staat in zijn opvattingen dus bepaald niet alleen. De loop van de moderne geschiedenis wordt niet bepaald door een paar gestoorde leiders of door wat hangjongeren die antisemitische leuzen roepen, maar door de ontsporing van de machtige overheidsbureaucreatie. Voor Bauman is de holocaust niet vreemd aan de ‘beschaving’, zij is er in zekere zin het gevolg van. Beschaving staat namelijk niet alleen voor schone kunsten en een hoog ontwikkelde ethiek, maar ook voor rationele en efficiënte bureaucratie en techniek. En juist die rationele bureaucratie en de haar ter beschikking staande moderne technieken zijn de kenmerken van de moderne overheidsbureaucratie. Daarom is het
volgens Bauman een illusie te denken dat de holocaust in onze moderne maatschappij niet meer denkbaar is. Juist omdat de
overheidsbureaucratie in de moderne staat oppermachtig is, is het gevaar dat wij opnieuw verrast worden door een holocaust heel reëel. Aldus Zygmunt Bauman.

Wat maakt nu de overheidsbureaucratie tot zo’n gevaarlijk instituut? Bauman legt het in een paar stappen uit.

De tekentafelsamenleving
De moderne samenleving wordt door de bureaucratie steeds meer gezien als iets dat je vanaf een tekentafel naar believen tot in de kleinste details kunt ontwerpen of planmatig in overeenstemming kunt brengen met de ideale maatschappij. Volgens Bauman ziet de bureaucratie de samenleving als een aan te leggen tuin: eerst alles van onkruid ontdoen en dan de gewenste bomen en planten netjes volgens ontwerp op hun plaats. Geen levend wezen wordt toegelaten dat zich niet volgens gedetailleerde regelgeving gedraagt en alles wat niet groeit volgens het plan en de regelgeving wordt als onkruid verdelgd. De concentratie van bevoegdheden bij de overheidsbureaucratie leidt voor de burger aldus tot een toenemende onvrijheid en afhankelijkheid van de overheidsbureaucratie.

Het verband tussen een sterke concentratie van bevoegdheden bij de overheidsbureaucratie, allesomvattende planning en toenemende afhankelijkheid van de burger is ook het thema dat wordt uitgewerkt door Karl Popper in The poverty of historicism en door econoom-Nobelprijswinnaar Friedrich Hayek in The road to serfdom. Veelomvattende (‘holistische’) planning, waarbij de realisering van elk project afhankelijk is van de realisering van andere projecten, kan alleen maar worden doorgevoerd als de invloed van burgers wordt uitgeschakeld.

Veelomvattende overheidsplanning leidt onontkoombaar tot onvrijheid en onderdrukking.

De overheidsbureaucratie als woekering
Is er eenmaal een begin van overheidsbureaucratie, dan krijgt die haar eigen dynamiek: er worden steeds meer taken en bevoegdheden bedacht om de ambitie van (hogere) beambten te bevredigen. De nazi-bureaucratie, zo schrijft Bauman, is daar een duidelijke illustratie van. “Hoe beter ze werd in het verwijderen van joden uit de bezette gebieden, hoe harder ze op zoek ging naar landen waar ze haar pas verworven vaardigheden kon beoefenen.” Toen er al lang nauwelijks meer joden in Duitsland leefden, werd door het Judenreferat in Berlijn nog steeds nieuwe restrictieve regelgeving ontwikkeld en ingevoerd. Regelgeving om de regelgeving, zoals ook bij ons allerlei onzinnige verordeningen blijven bestaan en worden bedacht omdat daar het werk en de promotiemogelijkheden van ambitieuze ambtenaren van afhankelijk zijn. De doelstellingen, de ambitie en het optreden van de overheidsbureaucratie moeten vooral begrepen worden als bevrediging van de behoefte van de bureaucratie zelf en hoe meer macht de overheidsbureaucratie heeft, hoe minder haar in de weg wordt gelegd om zich uit te breiden en voort te woekeren.

Hiërarchie en arbeidsdeling
Tussen het handelen van de individuele beambte en de uiteindelijke gevolgen van het overheidsoptreden zitten, als gevolg van een ver doorgevoerde arbeidsdeling, een groot aantal schakels. De uiteindelijke gevolgen van het handelen van de beambte voor de burger komen daardoor buiten het gezichtsveld van de beambte te liggen. Hij kan zich dus makkelijk wijsmaken dat hij niet echt medeverantwoordelijk is voor wat de overheidsbureaucratie de burger aandoet. Het object van overheidshandelen (de burger die de gevolgen ondervindt) wordt door het grote aantal tussenschakels onzichtbaar gemaakt voor de individuele beambte. De weerstand tegen immoreel gedrag neemt daardoor af, zoals geavanceerde techniek het makkelijker maakt op grote afstand anonieme mensen te vernietigen. Met de afstand groeit de onverschilligheid. Van hogerhand wordt de beambte in de hiërarchische bureaucratie bovendien uitdrukkelijk te verstaan gegeven dat de verantwoordelijkheid bij de leiding ligt. Mocht de beambte nog ergens het gevoel hebben dat het toch niet goed is wat hij doet, dan kan hij zijn geweten sussen door zich voor te houden dat zijn superieuren verantwoordelijk zijn voor zijn handelen en dat hij alleen maar zijn plicht doet. Bauman verwijst in dit verband naar het Milgram-experiment. Uit dat experiment bleek hoe gemakkelijk proefpersonen ertoe te bewegen zijn aan anonieme slachtoffers gevaarlijke elektrische schokken toe te dienen als zij daartoe worden aangezet door een experimentator die uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid op zich neemt.

Ontmenselijking van burgers
Een belangrijk effect van de bureaucratisering is de ontmenselijking van de slachtoffers van de bureaucratische organisatie, zo gaat Bauman verder. Dat komt deels door de onverschilligheid die het gevolg is van onzichtbaarheid van de burger die het beleid ondergaat en de gedwongen afdracht van verantwoordelijkheid van uitvoerende aan leidinggevende ambtenaren. Voor een ander deel komt het door een psychologisch verdedigingsmechanisme. Voor de soldaat die moet schieten, helpt het zich de tegenstander voor te stellen als een onmens. De joden werden om die reden door de nazi’s als verraders en schurken afgeschilderd. De beambte die toch nog last van zijn geweten krijgt, is geneigd zichzelf wijs te maken dat de burger die door zijn toedoen leed wordt toegebracht een lastpost is die het er zelf naar gemaakt heeft dat er hardvochtig tegen hem opgetreden wordt. De overheidsbureaucratie hamert er voortdurend op dat burgers zich zo hufterig gedragen. Dat maakt consequente handhaving voor uitvoerende beambten psychologisch een stuk makkelijker. De ontmenselijking van de burger bestaat ook uit de reductie tot een ‘utkg’ (uitkeringsgerechtigde), ‘bltg’ (blootgestelde) of een nummer, waarbij men zich geen concreet mens met pijn en verdriet en huilende kindertjes hoeft voor te stellen. Psychologisch nog effectiever is het zich de burger voor te stellen als een potentiële regelovertreder, die erop uit is de overheidsbureaucratie last te bezorgen en tegen wie dus preventief moet worden opgetreden. Veel beambten die het vuile werk moeten opknappen, ontwikkelen, om het vuile werk psychologisch op te kunnen brengen, negatieve gevoelens jegens de burger. De ontmenselijking werkt dus naar twee kanten. De cliënten die bediend, de gevangenen die bewaakt of de joden die gedeporteerd moeten worden, dragen bij aan het gevoel van collegialiteit en saamhorigheid van het team van beambten, die snel een ‘wij’-tegen-‘zij’-gevoel ontwikkelen. Browning beschrijft in Ordinary Men hoe sterk de conformerende invloed is van de ‘peer group’.

Ook soldaten die verschrikkelijke gewetensproblemen hadden, deden mee met het vermoorden van vrouwen en kinderen, voornamelijk om niet voor matennaaier en lafbek te worden uitgemaakt. Bauman verwijst net als Browning naar het Zimbardo-experiment. Ook dit experiment laat de ontmenselijking zien van zowel de beambten als de cliënt-burger. In dit experiment werden proefpersonen ingedeeld in cipiers en gevangenen. De cipiers kregen verregaande bevoegdheden om tegen de gevangenen op te treden. En automatisch ontwikkelden de meeste cipiers antipathie tegen de gevangenen en gingen ze de gevangenen als uitschot behandelen.

Het ‘maatschappelijk’ geweten
Bauman betoogt, en dat is het sluitstuk van zijn analyse, dat het bureaucratisch gedrag, als gevolg van arbeidsdeling, afdracht van
verantwoordelijkheid en de ontmenselijking van het object van overheidsplanning, onvermijdelijk ontaardt in immoreel gedrag. Dat wil volgens Bauman zeggen gedrag dat niet met het eigen geweten in overeenstemming is. De doorsnee beambte of soldaat laat zijn eigen geweten thuis en reserveert dat voor zijn gezin en zijn hond. In de bureaucratische overheidsorganisatie neemt het maatschappelijk geweten (‘het bureaucratisch geweten’ was een betere term geweest) de plaats in van het eigen geweten. Het ‘maatschappelijk’ geweten is het door de overheidsbureaucratie gemanipuleerde individuele geweten. Dat ‘maatschappelijk’ geweten heeft twee functies. In de eerste plaats wordt de beambte erop afgerekend: hij krijgt op zijn donder als hij zich niet volgens dat ‘maatschappelijk’ geweten gedraagt. In de tweede plaats fungeert het als ideologie: een stelsel van normen en waarden dat het functioneren van de overheidsbureaucratie én de beambte afschermt tegen openbare kritiek. Zo geldt het als zeer ongepast en onfatsoenlijk om als burger individuele beambten op hun persoonlijke verantwoordelijkheid aan te spreken. Een norm die niet alleen de machtshonger van hoge ambtenaren aan sociale controle onttrekt, maar bovendien naadloos aansluit bij de door de bureaucratie gewenste horigheid van de uitvoerende beambte en zijn afdracht van verantwoordelijkheden aan zijn superieuren. Als je als superieur blinde gehoorzaamheid eist van de individuele uitvoerende beambte, dan moet je hem afschermen tegen openbare kritiek. Anders komt de lagere beambte tussen twee vuren te zitten en verlies je als superieur je greep op de ondergeschikte, die het in zijn hart vaak met het publiek eens is. De norm dat je individuele beambten niet op hun gedrag en hun geweten mag aanspreken, is er dus om de macht van de overheidsbureaucratie over de lagere individuele beambte veilig te stellen en de speelruimte van de leidinggevende bureaucraat uit te breiden.

Voor het ‘maatschappelijk’ geweten zijn gehoorzaamheid en loyaliteit aan de bureaucratie deugden die boven alles gaan, evenals het voldoen aan de verwachtingen van superieuren en collega’s. Als een beambte de opdracht krijgt om hardvochtig op te treden tegen een burger of om het publiek te misleiden, dan doet hij dat, want een beambte die dat weigert, wordt beschouwd als deloyaal en een slappeling, die impliciet te kennen geeft te twijfelen aan de doelstelling van de bureaucratie en de morele instelling van zijn collega’s die wél bereid zijn om zich naar de eisen van de bureaucratie te schikken.

Het verzet tegen socialisatie
Bauman pleit in het laatste hoofdstuk van zijn boek voor een ‘sociologische theorie van de moraal’. De vraag die voor hem centraal staat, is: wat valt ertegen te doen dat mensen, in het bijzonder beambten, zich door de bureaucratie van hun eigen geweten en hun eigen verantwoordelijkheid laten beroven? Hij zoekt aansluiting bij Hannah Arendt, de auteur van Eichman in Jeruzalem en The Origins of Totalitarianism, die het een morele plicht acht zich tegen socialisatie te verzetten, d.w.z. tegen de overdracht van normen en waarden die ons, beambten én burgers, door de overheidsbureaucratie worden opgedrongen en de plaats innemen van ons eigen geweten. In Eichman in Jeruzalem betoogt Hannah Arendt overigens dat Eichman eigenlijk een doodgewone man was, die er, net als talloze andere ambitieuze beambten, slechts op uit was om zijn superieuren te behagen en zich stipt aan de regels van de bureaucratie te houden en om die reden aanvoerde dat hij geheel volgens zijn geweten gehandeld had. Het prototype van de bureaucraat die zich niet meer afvraagt wat zijn eigen geweten eigenlijk is en bij wie het eigen geweten totaal verdrongen is door het ‘maatschappelijk’ geweten.

Hannah Arendt en Zygmunt Bauman lijken er beiden van uit te gaan dat er zoiets bestaat als een instinctief eigen geweten. Het kostte, zo schrijft Hannah Arendt, de nazi’s grote moeite het “dierlijk medelijden” de kop in te drukken dat alle mensen hebben als zij in hun nabijheid fysiek lijden zien. Het instinct dat dieren hebben voor hun jongen, ouders voor hun kinderen en mensen voor hun naasten.

Natuurlijke en instinctieve gevoelens van medelijden, verantwoordelijkheid en bezorgdheid, die zich in de loop van de beschaving ontwikkeld hebben tot religie en ethiek, waarbij de kring van naasten steeds groter is geworden.

Beschaving, zo voert Bauman telkens weer aan, brengt door rationaliteit en techniek de mogelijkheid tot massale vernietiging en holocaust voort, maar tegelijk ook religieus besef, ethiek en schone kunsten. Mannheim maakte ooit het onderscheid tussen functionele en substantiële rationaliteit. Functionele rationaliteit betreft techniek, organisatie, efficiency. Morele kwesties, vragen naar de zin van het leven en de richting waarin de samenleving zich zou moeten ontwikkelen omwille van een verantwoordelijk bestaan, behoren tot het gebied van de substantiële rationaliteit. Het probleem dat Bauman en Arendt aanroeren, is dat functionele rationaliteit een eigen leven schijnt te leiden, los van substantiële rationaliteit. Een oud thema in godsdienst en filosofie, dat zich, juist in een tijd van ongekende technische mogelijkheden, opnieuw opdringt. Functionele rationaliteit (efficiency, bureaucratie en techniek) is zonder substantiële rationaliteit (d.w.z. een rationele bezinning op de vraag hoe wij eigenlijk met elkaar zouden moeten samenleven) een blinde kracht zonder moreel kompas.

Wat in het boek van Bauman duidelijk beschreven wordt, is hoe die substantiële rationaliteit verdrongen wordt: het individuele geweten van uitvoerende beambten en van burgers moet plaatsmaken voor het ‘maatschappelijk’ geweten: de normen en waarden die door de overheidsbureaucratie door middel van steeds meer regelgeving worden ingevuld. Een goed burger is een burger die zich aan de regels houdt en een goede beambte is een beambte die loyaal zijn plicht doet en de vuile was niet buiten hangt. Gaat het over overheidsbeleid, dan moet je niet over naastenliefde en barmhartigheid beginnen, want dat zijn waarden die gelden in de privésfeer. Het afleggen van een vals getuigenis is een zonde, maar niet in de politiek, daar heet het strategie. Eerbied voor het leven, maar niet ten koste van autobereikbaarheid. Voor het religieus en ethisch gedachtegoed is in het publieke domein eenvoudig geen plaats. Op zondag wordt er gelezen: “Hebt de vreemdeling lief,” maandag wordt die vreemdeling door de overheid het land uitgezet. De rijke jongeling krijgt te horen dat hij zijn bezit moet verkopen en het aan de armen moet geven, maar de overheid roept op tot een V.O.C.-mentaliteit. Het conflict tussen enerzijds normen en waarden die ons door de overheidsbureaucratie worden opgedrongen en anderzijds het geweten dat wij onder invloed van onze humanistische, christelijke, joodse, islamitische beschaving hebben ontwikkeld, wordt ‘opgelost’ door het religieus en ethisch normbesef uit het publieke domein te verbannen naar de privésfeer, de kerk, de moskee, de kunst, de literatuur.

Wat in de analyse van Bauman niet duidelijk naar voren komt (hoewel hij er wel treffende voorbeelden van geeft), is dat functionele rationaliteit, die in de overheidsbureaucratie vrij spel heeft, maar een heel kortzichtige rationaliteit is, een instrumentele. Je zou uit de analyse van Bauman kunnen opmaken dat zakelijke, technische en op wetenschap gebaseerde inzichten een doorslaggevende rol spelen in de totstandkoming en uitvoering van overheidsbeleid. De werkelijkheid is echter dat wetenschappelijke inzichten alleen maar een rol spelen voorzover het de overheidsbureaucratie goed uitkomt. De bureaucratie is vaak helemaal niet geïnteresseerd in de neveneffecten van haar beleid of naar effecten op de lange termijn. Kennis daarvan doet immers alleen maar twijfel rijzen aan het beleid. Beleidsnota’s worden eerder onderbouwd met propaganda dan met op de wetenschap gebaseerde argumenten. Wetenschappelijk onderzoek is welkom, maar wel graag het onderzoek dat de overheidsbureaucratie naar de mond praat. Met andere woorden: niet alleen het religieus en ethisch normbesef wordt door een krachtige overheidsbureaucratie uit het publieke domein verdrongen, maar ook het wetenschappelijk denken voorzover dat het instrumentele niveau overstijgt. Echte wetenschap verdraagt zich nu eenmaal niet met machtsuitoefening.

Dat de overheidsbureaucratie alleen maar wordt geleid door (instrumentele!) functionele rationaliteit is natuurlijk maar schijn. Dat functionele rationaliteit een eigen leven schijnt te leiden, los van substantiële rationaliteit, komt doordat de overheidsbureaucratie wordt geleid door doelstellingen die als zo vanzelfsprekend worden gepresenteerd dat er geen discussie over plaatsvindt. Nationale identiteit, internationaal aanzien, modernisering en vernieuwing, economische ontwikkeling zijn van die doelstellingen. Daar wordt niet over gediscussieerd. En als het zo volkomen duidelijk is welke kant het uit moet, dan gaat het alleen nog maar om de vraag hoe dat zo efficiënt mogelijk te realiseren. Daarom staan alleen instrumenteel-functioneel-rationele overwegingen maar ter discussie. Niet de vraag of economische ontwikkeling, nationale identiteit en modernisering nu wel zulke nastrevenswaardige doelstellingen zijn.

Zouden mensen, waartoe Bauman en Arendt oproepen, de ruimte gaan opeisen om naar hun eigen geweten te leven, dan wordt de overheidsbureaucratie met vragen geconfronteerd als: wat komt er in onze economische orde terecht van naastenliefde? Wat heeft het afbreken van honderdduizenden goede sociale huurwoningen te maken met het beschermen van de zwakken? Wat heeft het vreemdelingenbeleid, c.q. het uitzettingsbeleid, te maken met barmhartigheid? Wat betekent eerbied voor het leven in relatie tot het stimuleren van het autoverkeer, de schade daarvan aan onze gezondheid en de belasting van het milieu? Wat heeft goed rentmeesterschap te maken met de uitputting van grondstoffen? En hoe verdraagt de overheidsbureaucratie zich met individuele vrijheid?

Maar is het niet naïef om te denken dat mensen, als zij de analyse van Bauman hebben begrepen, als vanzelf gehoor zullen geven aan de oproep om hun eigen geweten te gaan volgen en zich, zoals Hannah Arendt wil, tegen socialisatie te gaan verzetten? Is daar niet meer voor nodig? Als er nu iets uit de analyse van Bauman duidelijk wordt, dan is dat hoe moeilijk het is om je tegen die socialisatie en tegen de conformerende invloed van de overheidsbureaucratie te verzetten. Tegelijk echter laat die analyse zien wat er moet gebeuren om de macht van de overheidsbureaucratie in te dammen, d.w.z. aan publieke sociale controle te onderwerpen.

Ideologische fatsoensnormen
Wat Bauman in de eerste plaats laat zien, is dat het ‘maatschappelijk’ geweten ideologisch is. Dat wil zeggen: bedoeld om de bureaucratie en de machtsverhoudingen te rechtvaardigen. De normen die de relatie tussen de burger en de overheid beheersen, worden gepresenteerd als geciviliseerd en fatsoenlijk, terwijl ze geen andere bedoeling hebben dan de kritische burger monddood te maken en de beambte en de bureaucraat tegen openbare kritiek af te schermen. Wij moeten deze afschermende ‘fatsoens’normen opsporen en blootleggen.

Zo geldt het als ongepast om de vrome verhalen van een hoge ambtenaar of bestuurder te toetsen aan zijn eigen levenswandel. Dan krijgen we te horen dat je persoon en functie moet scheiden. Dat is nu typisch zo’n norm die bedoeld is om de gezagdrager immuun te maken voor kritiek. Waar slaat die norm eigenlijk op? Een gezagsdrager die vrome verhalen ophangt waar hij zich in zijn privéleven niet aan houdt, is een hypocriet en dat moet breed uitgemeten worden, want een hypocriet is niet te vertrouwen.

Ook ongepast is het om de beambte op zijn eigen geweten aan spreken. Waarom eigenlijk? Omdat hij een bevel van hogerhand uitvoert? In veel gevallen beroept hij zich daar wel op, maar is hij helemaal niet verplicht om dat bevel op te volgen. Sterker nog, soms neemt de beambte zelf het initiatief tot onethisch gedrag en doet hij maar alsof hij daartoe opdracht heeft gekregen. De beambte die in opdracht van hogerhand het publiek misleidt, sjoemelt met onderzoek of de regels creatief toepast, is daar helemaal niet toe verplicht. Hij behoort te weigeren. Als hij zijn promotiemogelijkheden belangrijker vindt dan eerlijk en integer te zijn, dan mogen en moeten wij daar schande van spreken.

Spelregels van de bureaucratie
De fatsoensnormen van het ‘maatschappelijk’ geweten zijn eigenlijk spelregels. De overheidsbureaucratie wil dat wij ons aan die regels houden om openbare kritiek tegen te gaan. De beambte die in de gaten wordt gehouden, riskeert zijn goede naam als hij sjoemelt en creatief met verordeningen omgaat, en zal daar bij een effectieve sociale controle dus voor terugdeinzen. En dus is het voor de kritische burger zaak om de fatsoensnormen niet alleen te doorzien, maar ook om zich er niet aan te houden. Websites en ingezonden brieven waarin burgers het gedrag van gezagsdragers en beambten aan de kaak stellen, zijn heel belangrijk. Dat is ook waarom de overheid er zo’n schande van spreekt en het OM erop afstuurt. Burgers doen er juist goed aan om de individuele beambte op zijn gedrag en zijn keuzes aan te spreken en niet te accepteren dat hij zich op zijn superieuren beroept. Het is overigens belangrijk ons te realiseren dat zo’n kritische opstelling van de kant van de burger de vrijheid van de lagere beambte juist heel erg ten goede komt. We geven hem een argument om tegen zijn baas te zeggen: “Bekijk jij het even. Als jij de boel wil bedriegen, dan doe je het maar zelf. Straks word ik erop aangekeken.”

Opheffen onzichtbaarheid
Wat in Baumans analyse heel duidelijk naar voren komt, is de verborgen relatie tussen het handelen van de beambte en de verwijderde gevolgen ervan. Het ongerief en het leed dat de beambte de burger aandoet, blijft voor de beambte onzichtbaar, althans hij kan doen alsof hij het niet ziet. Het is dus duidelijk wat ons te doen staat. Wij moeten beambten en bestuurders die zich schuldig maken aan onwettig handelen of immoreel gedrag opsporen en persoonlijk aansprakelijk stellen, zodat hun handelen weer binnen de normale menselijke sociale controle komt te vallen. Door de daders op te sporen, krijgen we bovendien boven water welke belangen, welke actoren en wat voor vriendjespolitiek er schuilgaan achter het handelen van de overheidsbureaucratie.

Met dank aan Kees van Oosten

Bijbehorende url:

http://www.keesvanoosten.nl/?page=81


De RSS-feed van de commentaren op dit topic
Volgende item: The Katrina Myth
Vorige item: Millions Against Monsanto

Uw commentaar

 

Goed stuk, iets voor de frontpage

Goed stuk, iets voor de frontpage

Daar sluit ik me volledig bij aan.

Ik moet bij diverse passages ook meteen denken aan andere artikelen op deze site die deze stellingen ondersteunen, een klein voorbeeldje:

“Zo geldt het als ongepast om de vrome verhalen van een hoge ambtenaar of bestuurder te toetsen aan zijn eigen levenswandel.”

Geen woorden maar ...

Dikke +1

Maarre:

Beschaving staat namelijk niet alleen voor schone kunsten en een hoog ontwikkelde ethiek, maar ook voor rationele en efficiënte bureaucratie en techniek.

Rationeel? Efficiënt? Alleen als het ze uitkomt zeker?

@ Michel

Vergeet niet dat die uitspraak over beschaving gaat… wink

Ja daar gaat mijn rebelse perceptie weer wink

Heb het stuk helemaal gelezen, erg goeie analyse wat mij betreft.

 

Uw naam/nickname:
Uw e-mailadres: (alleen als u notificaties wilt ontvangen)


Klik op een smiley om deze in je commentaar in te voegen:
grin
LOL
cheese
smile
wink
smirk
rolleyes
confused
surprised
big surprise
tongue laugh
tongue rolleye
tongue wink
raspberry
blank stare
long face
ohh
grrr
gulp
oh oh
downer
red face
sick
shut eye
hmmm
mad
angry
zipper
kiss
shock
cool smile
cool smirk
cool grin
cool hmm
cool mad
cool cheese
vampire
snake
excaim
question

 Laat het me weten als er andere reacties zijn


Geef het woord op dat je hieronder ziet staan:






 
designed by: 6bit Under